Twee meneertjes

Ik stond van­daag stie­kem te kij­ken naar twee straat­poet­sers. Van die meneer­tjes in een oran­je kos­tuum die door het stads­be­stuur wor­den aan­ge­steld om de stra­ten pro­per te hou­den. Ze rij­den rond met een vuil­bak op wiel­tjes, een bor­stel en zo’n lan­ge tang om papier­tjes op te rapen zon­der zich te moe­ten buk­ken (fan­tas­ti­sche uit­vin­ding doch dit ter­zij­de).

Die twee meneer­tjes ston­den te keu­ve­len op de hoek van de straat, zoals alleen dat soort meneer­tjes kun­nen keu­ve­len. Vele men­sen begin­nen bij het zien van zo’n tafe­reel wel­licht onmid­del­lijk te kan­ke­ren over de lui­heid van lang­du­rig werk­lo­zen en dat dat ver­dom­me ons belas­tings­geld is, maar ik vind het prach­tig. Ik ben blij dat mijn geld in dat soort the­a­tra­le char­me gesto­ken wordt.

Zoals de strak­ke win­ter­zon als een groot zoek­licht op de fluo out­fit van meneer­tje en meneer­tje viel, zo zie je ze enkel nog op de büh­ne van een oude stads­schouw­burg. Ik hoor­de niet wat ze zei­den, dus het leek wel pan­to­mi­me. Puur the­a­ter. Ze deden niks. Ze ston­den daar te keu­ve­len, meneer­tje één leun­de op zijn bor­stel, en meneer­tje twee haal­de de ene na de ande­re reclame‐folder uit zijn vuil­bak, en samen bla­der­den ze door veel te dure en onno­di­ge consumptie‐dromen en ande­re fan­ta­sie­ën. Ze had­den dol­le pret. Af en toe bewoog meneer­tje één zijn bor­stel heen en weer om wat bla­de­ren in de goot bij­een te har­ken, maar de wind was hem steeds te snel af. Ach wat, zag ik hem den­ken en hij leun­de ver­der.

Ik hoop dat die meneer­tjes het goed met elkaar kun­nen vin­den. Ik zou het heer­lijk vin­den om samen met een goe­de vriend voor een dag zo’n meneer­tje te zijn. En te keu­ve­len in het zoek­licht.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *