Alleen

het is onge­loof­lijk ont­zet­tend heer­lijk om hier te zit­ten
het is hart­je zomer
het is half zeven in de och­tend
en het is ont­zet­tend warm
het is zo ont­zet­tend warm
dat elke bewe­ging voelt als­of ge door een dik pak slag­room moet waden
het is zo ont­zet­tend warm
dat mijn porie­ën hete olijf­olie schen­ken
het is zo ont­zet­tend warm
dat er stoom van mijn wan­gen opstijgt tel­kens ik een traan pleng

het is zo ont­zet­tend warm
dat ik de kabou­ter­kes die zich ver­stop­pen onder het bed
hoor zuch­ten en puf­fen van de heet­hoof­den onder hun punt­mut­sen

het is zo ont­zet­tend warm
en toch is er geen ander ver­lan­gen in mijn lijf
dan heel dicht tegen u aan te krui­pen
om het nog war­mer te krij­gen
en te zien dat ook gij hete olijf­olie schenkt
en dat uw pro­za­ïsch gol­ven­de len­de­nen sto­men als een hete gei­ser
en dat gij ook door een dik pak slag­room moet waden
het is zo ont­zet­tend warm
en toch is er geen ander ver­lan­gen in mijn lijf

mis­schien een heel klein ander ver­lan­ge­tje
zo klein dat ik het haast niet merk
het ver­lan­gen naar een tas kof­fie
maar dat ga ik u nu zeker niet ver­tel­len
ik wil niet dat ge weet dat ik op zo’n ont­zet­tend warm moment
van in elkaar smel­ten­de olijf­olie schen­ken­de lij­ven
toch nog aan kof­fie kan den­ken
ik kan dat
maar ik wil niet dat ge dat weet

en ge noemt mij een held
een gelief­de die zacht spin­nend naast u ligt en u ver­baal of stil­zwij­gend of hoe dan ook een held­haf­tig gevoel geeft, dat is het schoon­ste wat er bestaat.
als een vrouw zon­der iets te zeg­gen in uw armen in slaap valt, dat is het schoon­ste com­pli­ment dat ge als man kunt krij­gen. dat is toch waar

ik sta dan met veel moei­te op uit bed
en ik maak geen lawaai om u niet wak­ker te maken
ik sta op
met kop­pijn
kram­pen
het eer­ste wat ik doe is een half uur op de pot gaan zit­ten
daar gebeurt er niks
ik voel me slecht als ik niet gewoon een half uur op de pot kan zit­ten ’s mor­gens
maar er gebeurt daar niks
de kram­pen wor­den wat min­der
de kop­pijn blijft

dan ga ik kof­fie drin­ken
slo­ten
grach­ten
zwar­te mean­de­ren­de rivie­ren van kof­fie
zwart vloei­baar goud
motor­olie voor de ziel

daar word ik rus­tig van
er gebeurt ver­der niks
de kram­pen wor­den wat min­der
de kop­pijn blijft
maar ik word rus­tig

en dan denk ik bij mezelf
fuck wat kan het leven soms pijn doen
en dan komt gij uit bed
met alleen een onder­lijf­ke aan
mijn onder­lijf­ke
veel te strak
veel te klein
en ik ruik de stoom en de olijf­olie en de slag­room
en ge komt bij me zit­ten
en ge pikt mijn tas kof­fie
en ge neemt een sloks­ke en ver­der laat ge ze koud wor­den
maar ik vind het niet erg
want ge legt uw hoofd tegen mijn schou­der
en ge spint en ge ronkt
en mijn kop­pijn gaat over
en mijn kram­pen gaan weg
en dan denk ik
fuck
het is alle­maal maar om te lachen

ik her­in­ner me een moment. waar­ge­beurd. we had­den heel de avond naar elkaar zit­ten kij­ken tot onze ogen pijn deden. ik zat op de grond en gij lag lang­uit op het bed. en wat ik me heel erg her­in­ner van die avond, van dat moment, is het won­der­lij­ke esthe­ti­sche gevoel dat me over­viel bij het zien van de per­fec­te krom­ming van uw rug. zoals ge daar op uw buik op bed lag, was de glooi­ing van uw rug beto­ve­rend als een berg in zuid‐frankrijk, bij voor­keur met de onder­gaan­de zon erach­ter. met dat beeld ben ik toen gaan sla­pen.
dat was leuk.

ge kunt soms zo lang naar iemand zit­ten kij­ken
dat uw ogen er pijn van doen
en ge kunt ook lang met iemand zit­ten spre­ken
tot uw tong en uw kaken er pijn van doen
maar ge kunt ook een beet­je met iemand zit­ten spre­ken
en dan – na een zin of twee drie vier vijf zes
merkt ge plots dat er iets is
een vonk een klik een mag­ne­tis­me
of iets der­ge­lijks
of iets anders
maar meest­al
op zo’n moment
net op zo’n moment
op het moment dat ge in een gesprek met iemand plots dezelf­de fre­quen­tie vindt, bij­voor­beeld over het feit dat we alle­maal een beet­je indi­a­na jones zijn, op de loop door een tun­nel met maar één uit­gang, ach­ter­na­ge­ze­ten door zo’n rond stuk rol­lend rots­blok
net op dat moment gebeurt er aan de over­kant van het café het vol­gen­de: een len­te­fris paar­tje – groen ach­ter oor en oog – keu­velt een eind weg. zij drinkt blon­de lef­fe (en ze is het ook), hij drinkt war­me cho­co­melk. in het mid­den van een onge­twij­feld mooie zin die hij aan haar lip­pen heeft ont­trok­ken, valt met een lui­de beng en veel kabaal een schil­de­rij van de muur. naast het paar­tje. exact naast het fris­se paar­tje.
op zo’n moment schrikt ge u natuur­lijk rot, maar als ik die jon­gen was geweest, dan had ik me ach­ter­af wel­licht de vol­gen­de beden­king gemaakt:
zou het niet gewel­dig roman­tisch zijn om op exact dat moment, dat beng‐rinkeldekinkel moment, uw in cho­co­la­de gedrenk­te tong ter hand te nemen en de blon­de lef­fe tegen­over u vol op de mond te zoe­nen?
een beng‐rinkeldekinkel zoen voor de eeu­wig­heid?

zou het niet?

een kus kunt ge zel­den voor­spel­len. het is slechts wei­ni­gen gege­ven zich expli­ciet voor te nemen – te plan­nen als het ware – om de per­soon die u gene­gen is vol of half­vol op de mond te kus­sen, en dan ook effec­tief op rela­tief kor­te ter­mijn die plan­nen ten uit­voer te bren­gen. dat gaat niet alleen voor­bij aan de wen­sen die uw toe­kom­sti­ge kus‐partner al dan niet zelf heeft, maar boven­dien ook aan alle wet­ten van de roman­tiek. roman­tiek is onvoor­spel­baar, span­nend en onver­wachts, en moet dat ten alle prij­ze blij­ven om niet aan haar essen­tie voor­bij te gaan. een kus plant ge dus best niet. of het moest zijn dat ge de ver­we­zen­lij­king ervan bin­nen dit en een frac­tie van een secon­de ziet gebeu­ren, dan moogt ge natuur­lijk niet aar­ze­len. dan is het moment naar alle waar­schijn­lijk­heid meer dan aan­ge­bro­ken, maar in alle ande­re geval­len moogt ge de soep niet heter opdie­nen dan dat ge ze wilt eten.
en toch. ondanks het bodem­lo­ze res­pect voor alles roman­tisch, pro­beer ik me vaak in te beel­den hoe het voelt om u te zoe­nen. hoe het zoent om u te voe­len.
waar mijn voor­keur in elk geval niet naar uit­gaat, is zo’n kus waar­van ge ach­ter­af zegt shit – dat had ik mis­schien niet moe­ten doen. dat is name­lijk heel erg jam­mer voor die kus. een kus moet kun­nen voort­le­ven, in gedach­ten en in fan­ta­sie, en een kus die ge ach­ter­af beschouwd beter niet had geschon­ken of gekre­gen, is een ver­lo­ren kus. dat is als iemand een heel mooi kadootje schen­ken, en na de eer­ste dank­baar bewon­de­ren­de blik­ken zeg­gen euh nee, geef maar terug.
na een zoen moogt ge niet zeg­gen shit – enzo­voort, nee, ge moet zeg­gen nog een­tje graag. of mag het iets meer zijn als­tu­blieft.
wat de aard – het gen­re zo u wil – van een zoen betreft, zijn er heel wat bomen op te zet­ten. het zou zin­loos zijn hier een exhaus­tie­ve beschrij­ven­de lijst te wil­len aan­leg­gen, maar als we het even over­dre­ven rigi­de aan­pak­ken, dan val­len de mees­te zoe­nen strikt geno­men ergens op een punt bin­nen een con­ti­nu­üm dat we zou­den kun­nen trek­ken tus­sen twee extre­men. aan de ene kant hebt ge de wil­de, onge­tem­de en onge­rem­de, bij­ten­de, pas­si­o­ne­le kus; hele­maal aan de ande­re kant hebt ge dan de met veel smaak te savou­re­ren tra­ge, tede­re, zin­de­ren­de en tas­ten­de zoen. de tra­ge zin­der­zoen. de lang­za­me lust­kus.

en ge zucht
en ge zegt dat dat langs geen kan­ten klopt van al die soor­ten zoe­nen. dat ge even goed kunt pro­be­ren om meis­jes in bio­lo­gi­sche cate­go­rie­ën te ver­de­len. of dat ge even goed kunt pro­be­ren het feno­meen vrouw algo­rit­misch te defi­ni­ë­ren. en ik zeg dat dat geze­ver is want dat dat ik dat nooit zou doen en ge zegt dat ik het toch doe en ik zeg nee dat is niet waar ik snap niks van vrou­wen wat zou ik ze dan wil­len defi­ni­ë­ren en ge zegt dat ik dat onbe­wust doe door te pra­ten en te kij­ken en te kie­zen met wie ik omga en ik vraag wat ik dan wel defi­neer door er voor te kie­zen hier met u te zit­ten en u mijn kof­fie te laten koud wor­den en of ik u daar­door zon­der dat ik het besef in een hoks­ke stop en ge zegt ja natuur­lijk en ik zeg mil­jaar­de in welk hoks­ke steek ik u dan wel en ge zegt geen hoks­ke een doos een kar­ton­nen doos zo’n doos die groot genoeg is om een kus­sen in te leg­gen waar­in een poes zich op een zwoe­le zomer­nacht heel erg thuis zou voe­len waar­door ze ver­geet dat er een ver­se por­tie fris­kies naast de doos op haar staat te wach­ten en dan weet ik niet meer wat te zeg­gen.
en ge kijkt naar mij met een blik die zegt als ik nu geen zoen krijg dan is heel mijn dag naar de klo­ten en ik zeg uw dag is niet naar de klo­ten en daar­bij het is veel te warm om te zoe­nen.
en ge neemt nog een slok en ge zegt dat de kof­fie koud is
en dan krijgt ge toch een zoen
een hele lan­ge veel te war­me kou­de kof­fie zoen in een kar­ton­nen doos

en dan vraagt ge wat het mooi­ste moment uit mijn leven is
en ik ver­tel zon­der aar­ze­len dat ge dat wel weet omdat ge erbij waart
ik stond op een zomer­och­tend samen met u in het mid­den van een gro­te wei­de ergens in de arden­nen – heu­vel­ach­tig – en we waren alle­bei een beet­je zenuw­ach­tig. en we ble­ven daar staan zon­der te wil­len gaan zit­ten en zon­der iets te zeg­gen eigen­lijk. en plot­se­ling viel het me op dat het ver­keer in de ver­te steeds stil­ler klonk. als­of wagens en cami­ons halt hiel­den in een soort onuit­ge­spro­ken con­sen­sus die zei laten we gewoon langs de kant van de weg stop­pen en onze motor stil­leg­gen. en ook de vogel­kes in de bomen die dach­ten iets gelijk­aar­digs. heel lang­zaam zwe­gen ze een voor een tot er niks meer te horen was. de koe in de ver­te die tot dan toe elke twee minu­ten loei­end vloek­te, leek aan­stal­ten te maken om te gaan pit­ten. en toen schoof – heel lang­zaam – de maan voor de zon. en het werd don­ker. en alles was stil. en nie­mand zei iets. en er scho­ten tra­nen in uw ogen. en ik zag uw tra­nen en ze scho­ten ook in mijn ogen. en toen kwa­men er van­on­der een aan­tal strui­ken rond­om ons alle­maal kabou­ter­kes te voor­schijn. klei­ne petie­te­ri­ge kabou­ter­kes met een punt­muts. en gelijk zot begon­nen die te wer­ken. gras­maai­en, tak­ken snoei­en, koei­e­vlaai­en opkui­sen, papier­kes in een petie­te­rig vuil­zaks­ke doen. wer­ken wer­ken wer­ken. als­of ze nooit iets anders gedaan had­den. en twee minu­ten later, toen de maan ons lang­zaam het zon­licht terug gun­de, hup­pel­den die kabou­ter­kes alle­maal terug onder hun strui­ken en als bij tover­slag waren ze ver­dwe­nen. en wij ston­den in het mid­den van een pro­pe­re vers gemaai­de wei­de zon­der een vuil papier­ke of koei­e­vlaai. en die koe in de ver­te begon weer te loei­en en de vogel­kes flo­ten weer en het ver­keer in de ver­te reed ver­der als van­ouds en dat was het aller­schoon­ste moment uit mijn hele leven.

en dan vraagt ge of ik graag naar u kijk
en ik zeg ja ik kijk graag naar u
ik kijk heel graag naar u
ik kijk naar niks anders zo graag als naar u
en ge vraagt of ik vaak naar u kijk
en ik zeg ja zoveel ik kan
en ge vraagt of ik ook naar u kijk als gij niet weet dat ik naar u kijk
en ik zeg dat dat wel eens gebeurt
wan­neer vraagt ge
en ik zeg daar­straks bij­voor­beeld.
toen ge lag te sla­pen
ik sliep niet zegt ge
en ik zeg ja dat weet ik
dat zag ik
wan­neer nog vraagt ge
wan­neer kijkt ge nog naar mij
en ik zeg ik kijk heel hard naar u elke keer als ge ver­trekt
als ge de deur uit­gaat dan ga ik aan het raam staan en dan kijk ik naar u te voet of met de fiets en ik kijk zo lang tot ik u niet meer zie en dan nog stop ik niet met kij­ken. op dat moment kijk ik zo hard en fel en lang naar u om zeker te zijn dat ik u nooit meer ver­geet moest het gebeu­ren dat ge niet meer terug­komt
en ge zegt dat ik zo’n din­gen niet mag zeg­gen
en ik zeg dat het maar om te lachen is
en gij zegt dat ge het niet grap­pig vindt
en ik zeg sor­ry ik zal het niet meer doen. en dat het tijd is om aan de dag te begin­nen voor hij om is en ik zeg dat ik mijn onder­lijf­ke nodig heb. en ge doet mijn onder­lijf­ke uit en dan heb ik plot­se­ling geen zin meer om aan de dag te begin­nen. en ik zeg dat is een geme­ne truk en gij zegt dat ik er zelf om gevraagd heb tiens. en dan is er weer die blik in uw ogen die smeekt om een zoen die min­stens drie of vier dagen duurt en dan loop ik naar de vuil­bak en ik zoek naar de afge­scheur­de kalen­der­blaad­jes en ik zoek een stuk plak­band en ik plak de voor­bije drie dagen terug op de kalen­der en ik kom weer bij u zit­ten en ik leg mijn hoofd op uw schoot en ik zeg fuck wat kan het leven soms pijn doen.
en gij neemt mijn hoofd in uw han­den en ge zegt dat het alle­maal maar om te lachen is. en ge vraagt wat vol­gens mij de rode draad is. en ik zeg dat gij dat zijt, de rode draad.
gij zijt de rode draad.

16 reacties

  1. Jelle schreef:

    heel schoon. echt heel schoon.

  2. thomas schreef:

    ik heb nog nooit gewenst dat een tekst op inter­net nu eens ein­de­lijk wat lan­ger zou zijn.
    Tot nu.
    Hier­voor zeg ik: cha­peau, hoed af.

    Ik wou dat ik dit als een schil­de­rij kon ophan­gen.

  3. Primaat schreef:

    Zoe­nen is goud!!!!!!

  4. Yuri schreef:

    Inder­daad. Zwij­gen is zil­ver, zoe­nen is goud.

  5. tomasz schreef:

    want wij zijn alle­maal

  6. Yuri schreef:

    Graag gedaan.

  7. nathalie schreef:

    uit­ge­print om straks nog eens te lezen. wauw!

  8. Yuri schreef:

    Fijn. Thanks. Weg met het com­pu­ter­scherm.

  9. J schreef:

    Lie­ve SIn­ter­klaas,

    Kunt u Maan­zand ene fer­me schop onder de kont – poep is voor de buren‐ geven? Zijn pro­za is het kado wat ik graag zou ont­van­gen, en ik heb zo’n flauw ver­moe­den dat here Maan­zand die schop niet van­zelf gaat bestel­len. Dus hup, buk uw stram­me rug, grijp die keu­rig­kan­ten onder­lijn van uwe hei­li­gen­jurk en breng uw voet met pit­ti­ge pre­ci­sie in bewe­ging. Weten we ein­de­lijk of u Goo­fy of regu­lar bent, en wat voor schoe­nen u ver­kiest.

    was gete­kend,
    mis

  10. Carmen schreef:

    Goh… eigen­lijk zijn hier geen woor­den voor, maar een mens voelt soms de drang te laten weten enke­le minu­ten weg geweest te zijn van de wereld.
    Bedankt om mij mijn moment van rust en genot te geven van­daag.
    Dit is prach­tig. Zo mooi. Zo een­vou­dig. Zo dood­sim­pel de waar­heid.

  11. Yuri schreef:

    Graag gedaan. En dank­je­wel.

  12. Hanneke schreef:

    Lie­ve Yuri,

    Dank­zij dit kunst­werk­je ben ik aan­ge­no­men op de toneel­school. Mag ik je har­te­lijk, har­te­lijk bedan­ken voor je subliem gevoel voor taal? Je kunt als geen ander de Lief­de beschrij­ven. Dank­je­wel.

  13. Yuri schreef:

    Woohoow, i’m flat­te­red! Heb je de tekst hele­maal gebracht? Zijn er opna­mes van?
    In elk geval gefe­li­ci­teerd, en veel ple­zier op de toneel­school!

  14. Hanneke schreef:

    We moesten een mono­loog van -helaas‐ maar 400 woor­den voor­dra­gen, dus het is een frag­ment gewor­den (het laat­ste stuk, van­af ”en dan vraagt ge of ik graag naar u kijk” tot ”gij zijt de rode draad.”)
    Ik kom ech­ter uit Neder­land, dus er waren wel woor­den die ik nor­maal niet gebruik – seri­eus, wat is ”tiens” en hoe spreek je het uit?- maar het was erg, erg leuk om te doen.
    Er zijn geen opna­mes van, want geluk­kig was het geen talen­ten­jacht als ”Idols” (bij jul­lie heet het ”Idool” dacht ik) en het komt ook niet op tele­viesie. Ik blij.
    Dank voor je feli­ci­ta­ties, je zal me hier nog wel vaker zien rond­spo­ken (:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *