Er over

Jon­gen: Er heeft vori­ge week iemand tegen mij gezegd dat ik hele scho­ne bak­ke­baar­den heb.
Meis­je 1: Ik zat van de week op café en toen is er iemand die ik nog nooit eer­der gezien had mij iets te drin­ken komen aan­bie­den.
Meis­je 2: Ik heb eens iemand tegen mij horen zeg­gen dat ik ogen heb om in te diep­zee­dui­ken.

Meis­je 1: Ik heb ooit een lief gehad en vol­gens hem had ik benen die thuis­hoor­den in het pan­the­on.
Meis­je 2: Er heeft ooit iemand op wie ik ver­liefd was een gedicht geschre­ven over mijn bil­len.

Meis­je 1: Als ik de trein pak, dan komen er soms men­sen vra­gen of ’dat mijn natuur­lij­ke haar­kleur is’.
Meis­je 2: In de Del­hai­ze kwam ik een tijd gele­den een man tegen die per se mijn kar­re­ke wil­de duwen.

Meis­je 1: Vorig jaar is er in een res­tau­rant iemand in zwijm geval­len toen ik bin­nen­kwam met mijn vrien­din­nen.
Jon­gen: Met uw vrien­din­nen?
Meis­je 1: Ja maar ik liep voor­op hè.
Meis­je 2: Er is ooit iemand gestikt in een stuks­ke scam­pi toen hij mij in de gaten kreeg.
Jon­gen: Dat wil toch niks zeg­gen.
Meis­je 2: In bad­pak he.
Jon­gen: Die scam­pi?
Meis­je 2: Nee ik zot.

Meis­je 1: Ik ben ooit es gaan zwem­men en toen is de red­der van zijn red­der­stoel getot­terd toen ik in het water voor­bij kwam zwem­men.
Meis­je 2: Als ik in de len­te door t stad wan­del, dan spre­ken men­sen mij soms aan met Phae­dra.

Meis­je 1: Ik heb ooit eens in het publiek geze­ten bij een opna­me van De Zeven­de Dag en toen wou Sieg­fried Brac­ke aan mij een vraag stel­len nadat hij Anke Van­der­meersch had aan­ge­kon­digd.
Jon­gen: Dat is toch die van t vlaams blok?
Meis­je 1: Ja maar dat is dus wel een hele knap­pe hè.

Meis­je 2: Mijn lief heeft ooit gezegd dat hij zou ver­dwa­len tus­sen mijn schou­der­bla­den omdat ik zo’n ein­de­lo­ze rug heb.
Meis­je 1: Tiens.
Meis­je 2: Wat?
Meis­je 1: Dat heeft hij tegen mij ook ooit gezegd.
Meis­je 2: Excu­seer?

Meis­je 1: En ik heb ooit ne stal­ker gehad die op mij geil­de omdat – en ik citeer – ’mijn blo­te schou­der een vol­le­dig leger zou kun­nen ver­slaan’.
Meis­je 2: Ik heb ooit een vriend­je gehad die zei dat als ik nog lek­ker­der zou zoe­nen, dan zou het straf­baar wor­den.

Meis­je 1: Ik heb een jurk en als ik die aan­trek om naar een feest­je te gaan dan is er wer­ke­lijk nie­mand die mij recht in de ogen kan kij­ken.
Meis­je 2: Ik heb een jurk en als ik die aan­doe dan doet ieder­een enorm veel moei­te om toch maar zeker in mijn ogen te kij­ken.

Meis­je 1: Bij ons in de straat heeft er ooit een dak­wer­ker zijn been gebro­ken omdat ik mijn biki­ni­lijn zat te waxen met de gor­dij­nen open.
Meis­je 2: Ik had ooit een kort roks­ke aan en toen heeft die gast van de Medi­ter­ra­née in zijn vin­gers gesne­den toen ik om een bloks­ke feta vroeg.
Jon­gen: Een roks­ke voor een bloks­ke.
Meis­je 2: Maar wacht en toen heeft die gast zich ver­ont­schul­digd en hij zei – ik citeer – ’excu­seer juf­frouw, ik zal voor u een nieuw roks­ke snij­den’. Die was dus echt com­pleet het noor­den kwijt hè.

Meis­je 1: Over de Medi­ter­ra­née gespro­ken – ik heb ooit tij­dens het vrij­en van iemand gehoord dat hij niet kon bij­be­nen met de medi­ter­ra­ne golf­be­we­ging van mijn len­de­nen.
Meis­je 2: Ik heb ooit een lief gehad dat niet meer door mij gepijpt wil­de wor­den omdat hij elke keer in zwijm viel.
Meis­je 1: Dat vind ik er over.
Meis­je 2: Ja t is noch­tans echt waar.

Jon­gen: Er heeft vori­ge week iemand tegen mij gezegd dat ik bor­sten heb om slag­room op te doen.
Meis­je 1: Ehm. Dat is mijn tekst.
Jon­gen: Ja zeg. Ge had maar eer­der moe­ten zijn.
Meis­je 2: (lacht uit­bun­dig)
Meis­je 1: Maar enfin snul gij hebt toch hele­maal geen bor­sten.
Jon­gen: En dan? Die slag­room is toch een schoon meta­foor.
Meis­je 1: Maar dat is hele­maal uw tekst niet. Hoe kunt gij het nu over uw bor­sten heb­ben?
Jon­gen: Kom­aan zeg, (Meis­je 2) spreekt toch ook over pij­pen?
Meis­je 1: Dat is iets hele­maal anders. Dat was er trou­wens com­pleet over en gij moet mijn regels niet inpik­ken.
Meis­je 2: (staat krom van het lachen) Waaahaaa, ’mijn regels’, wagaagaag­ga.
Meis­je 1: (gaat zie­dend af)

Dit is een frag­ment uit de voor­stel­ling ’Wij zijn geen rock­groep’ door The­a­ter Dete­rug­keer, juli 2005

6 reacties

  1. mis schreef:

    ik zie het bij­na voor me.
    spij­tig het gemist te heb­ben.
    en ken wel van die meis­jes 😀

  2. Zezunja schreef:

    Ik ben zelf zo’n meis­je.

  3. mis schreef:

    *grin­nikt* wow zez, waar heb je die cur­sus tus­sen de regeld door­le­zen gevolgd? 😀

  4. Liesbet schreef:

    Ei maat. Nu ik dit hier lees zou ik nog wel eens spijt dur­ven heb­ben om ’t feit dat ik niet komen kij­ken ben, bij God!

  5. Yuri schreef:

    Aha drie­werf aha!
    Berouw komt na de zond­vloed…

  6. nathalie schreef:

    haha­ha­ha­ha­ha­ha­ha­ha­ha­ha­ha­ha­ha­ha­ha­ha­ha­ha­ha­ha!!!!!!!!!!!!
    *zucht*.….. gewel­di­ge tekst.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *