Mag dat?

A: Mag ik u tutoy­e­ren?
B: Par­don?
A: Of ik u mag tutoy­e­ren?
B: Mevrouw luis­ter es, ik weet niet…
A: Of ik je mag zeg­gen
B: Hoe?
A: Of ik je en jij mag zeg­gen.
B: Of ge wat moogt zeg­gen?
A: Je. Tegen u.
B: Tegen mij.
A: Ja.
B: Wat dan?
A: Gewoon. Je en jij in plaats van u.
B: Maar wie bedoelt ge mevrouw?
A: Ik bedoel u meneer.
B: Ge bedoelt mij?
A: Ik bedoel u. Jij bedoel ik. Mag dat?

(stil­te)

B: Dat mag. Gij moogt mij bedoe­len.

1 reactie

  1. Noynourfe schreef:

    Ah, heer­lijk! Dit riekt naar een meer-dan-avondvullend spek­ta­kel.…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *