De pijn van het zijn

De pijn van het zijn

De pijn van het zijn (bron: you­tu­be)

Ik zag een man een podi­um bestij­gen, het publiek begroe­tend. Dag alle­maal, ik ben die en die en ik doe aan kunst­flui­ten. De drie­kop­pi­ge jury – opge­trok­ken uit bord­kar­ton­nen media­geil­heid – lach­te in het zorg­vul­dig gecho­re­o­gra­feer­de vuist­je. De man nam een eend ter hand. Geen ech­te eend, maar een exem­plaar van ter­ra­cot­ta, afge­werkt met een glim­mend ver­nis­laag­je. Nog voor er één fluit­toon klonk, kreeg de man een stort­vloed van flau­wig­heid over zich heen. Bele­gen grap­jes met fluit en bla­zen als hoofd­in­gre­di­ën­ten. Bele­gen grap­jes van het meest bele­gen jury­lid. Het jury­lid met het meest bele­gen kap­sel en de meest bele­gen homo­fie­le stuip­trek­kin­gen die ik ken.

Ik zag hoe de man de kop van de ter­ra­cot­ta eend in zijn mond stak en hoe hij zijn wan­gen vol lucht zoog. Een iel fluit­toon­tje ver­liet zijn tril­len­de lip­pen. Een men­ge­ling van hoon­ge­lach en lauw applaus steeg op uit het schijn­baar meer­waar­de­zoe­ken­de publiek. Even dacht ik dat het wel­licht nog een eeu­wig­heid zou duren voor­al­eer het publiek daad­wer­ke­lijk eni­ge meer­waar­de zou vin­den, toen de man de eend ter­zij­de schoof en het vol­gen­de fluit­stuk tevoor­schijn haal­de. Het was een paling. Een leven­de paling. Het publiek joel­de uit­zin­nig. De jury aan­schouw­de het gebeu­ren met blik­ken die door­gaans enkel weg­ge­legd zijn voor homo­fo­be puri­tei­nen in een dark room. Jam­mer dat dit soort programma’s niet in een dark room wordt opge­no­men.

Ik zag hoe de man de paling tus­sen zijn lip­pen stak en hoe hij – tril­lend van plan­ken­koorts – een schuch­ter tre­mo­lo tevoor­schijn floot. Lang duur­de het niet, want het kunst­flui­ten werd over­stemd door een sta­pel oer­klan­ken van de bol­o­gi­ge toe­schou­wers. Het was mij niet geheel dui­de­lijk of de oer­klan­ken afschuw dan wel bewon­de­ring moesten uit­druk­ken, maar dat lag wel­licht aan de sprin­ge­ri­ge en infan­tie­le mon­ta­ge van het geheel. De jury maan­de de man aan tot het zo snel moge­lijk beëin­di­gen van zijn car­ri­è­re, en het meest bele­gen jury­lid met het meest bele­gen kap­sel vroeg ter afron­ding – en ver­moe­de­lijk ter ver­maak van de kij­ker – of de man nog op ande­re voor­wer­pen kon flui­ten.

”Ja,” zei de man, ”ik fluit ook op de neus van mijn vrouw.”

Ik zag hoe de jury zich in al haar geil­heid hard­op afvroeg of de vrouw van de man dan mis­schien in de buurt was, en jawel hoor. Als bij won­der kwam ze van­uit de cou­lis­sen tevoor­schijn, aan­ge­dre­ven door het voor­ge­kauw­de orkest dat in tele­vi­sie­land toe­val wordt genoemd. Het meest bele­gen jury­lid vroeg schijn­hei­lig glim­la­chend of de man het vrou­wen­neus­flui­ten even kon demon­stre­ren. De man aar­zel­de geen secon­de, en sloeg enthou­si­ast zijn arm om de schou­ders van zijn vrouw, als­of zijn toe­kom­sti­ge geluk en rijk­dom inte­graal zou bepaald wor­den door de daar­op­vol­gen­de fifteen minu­tes of sha­me. De vrouw van de man onder­ging het gebeu­ren spra­ke­loos. Ze leek het alle­maal te doen uit lief­de voor haar man – de enter­tai­ner – maar de star­heid in haar ogen ver­ried een onder­druk­te woe­de die ver­moe­de­lijk op dat eigen­ste moment een aan­tal belang­rij­ke her­sen­ver­bin­din­gen deed knap­pen.

Ik zag hoe de sprin­ge­ri­ge came­ra inzoom­de op de neus van de vrouw, die onhan­dig omhelsd werd door de lip­pen van de kunst­flui­ter. En ter­wijl er een beven­de fluit­toon weer­klonk, sloot de vrouw haar ogen. Omdat dat de eni­ge manier is om in gela­ten­heid de pijn van het zijn als een stort­bui over je heen te laten stro­men. De man deed zijn best om een min of meer hoor­baar volks­lied uit het reuk­or­gaan van zijn bewe­gings­lo­ze eega te halen, maar weer werd hij over­stemd door een vreem­de men­ge­ling van bewon­de­ring en afgrij­zen uit het publiek. Na de kei­har­de maar niet geheel onver­wach­te afkeu­ring van de bord­kar­ton­nen jury, ver­liet de man het podi­um, zijn arm nog steeds om de schou­ders van zijn fluit geklemd.

Wat mij vreemd is, is niet de pijn van het zijn.
Wat mij vreemd is, is het ver­lan­gen om de pijn van het zijn te laten beoor­de­len door een jury.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *