Toren

Er was ooit een aardbevinkje. Ik was kind, ik sliep, en in het midden van de nacht was er een aardbevinkje. Zo’n aardbevinkje waarvan je niks merkt, maar waarvan iemand ’s ochtends op de radio vertelt dat er een aardbevinkje was. Niemand had het gevoeld, maar diep in de Vlaamse ondergrond waren er twee hele kleine tectonische plaatjes over elkaar geschoven. Gebeurt best vaak, het ontgaat iedereen.

Aan de ontbijttafel vroeg moeke gekscherend of ik niet was wakker geschrokken want er was dus een aardbeving geweest. Ik had hard geslapen en had niks gemerkt, maar het woord aardbeving deed mijn fantasie op hol slaan. Toen ik die dag na school weer thuis kwam, bleek ik me plotseling toch in geuren en kleuren te herinneren hoe ik in het holst van de nacht mijn bed weer op zijn plaats had moeten zetten. Ik was een kind en ik werd geloofd. Zolang je niet liegt over fundamentele ethische kwesties, word je als kind doorgaans geloofd. For the sake of the story.

Neef Jannes toonde me gisteren vol trots de gigantische doos vol houten blokken die de Sint bij hem gedropt had. Er zat een voorbeeldboekje bij de doos met foto’s van megalomane bouwwerken en houten constructies, met daarnaast telkens een heel klein spelend kindje. Een boekje vol beloftes. Naar adem happend bladerde Jannes door het boekje, terwijl hij die toren ging bouwen, en die brug, en dat vliegdekmoederschip, en dat het allemaal niet in de woonkamer zou passen. Ik vroeg hem of hij al een keer begonnen was aan één van die torens van Babel. Jazeker, jazeker, was het antwoord. Meer nog, Jannes had vorige maand nog een toren gebouwd waarvoor hij een laddertje nodig had. Een toren zo hoog, dat ie bijna tot aan het plafond reikte, ware het niet dat er een lamp in de weg bleek te hangen. Ik zag de hyperkinetische motoriek in zijn kinderhandjes terwijl zijn fantasie op hol sloeg, en achter hem dansten broer en zus door de kamer zonder acht te slaan op welk obstakel dan ook. Ik bewierookte zijn verhaal met complimenten, maar de volwassen kantoorklerk in mijn achterhoofd vond toch dat het vooral zijn verbeelding was die bijna tot aan het plafond reikte.

Een paar uur later bladerde ik door één van de fotoboeken van mijn zus, de mama van Jannes. Het was een beeldend verslag van het afgelopen jaar, met foto’s van uitgestoken tongen, chocoladesmoeltjes en verkleedpartijen. Ongebreidelde kindervreugd en verbeeldingskracht, vastgelegd voor later. Op de laatste bladzijde stond een lange smalle foto van Jannes. Fier stond hij boven op een laddertje. Naast hem een indrukwekkende houten toren die tot aan de plafondlamp reikte. Ik wilde heel zachtjes sorry zeggen, maar niemand zou begrijpen waarom. Wat een mooie foto, zei ik maar. En wat een geluk dat er geen aardbeving was.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *