Een dik­ke week gele­den heb ik een kou­de kal­koen de nek omge­wron­gen en ben ik gestopt met roken. Omdat mijn weer­zin voor de afhan­ke­lijk­heid steeds gro­ter werd, ruil­de ik een pak­je per dag in voor wat me in eer­ste instan­tie een saai en kleur­loos bestaan leek. In vol­le bewust­zijn duw­de ik op een avond de laat­ste siga­ret in de asbak, zon­der te besef­fen dat ik een goe­de vriend ver­moord­de. Sinds­dien is alles anders.

Zenuw­ach­tig bla­der ik door het vogel­boek tot mijn wild bla­de­ren­de vin­gers halt hou­den bij de foto van het vrouw­tje van de zwar­te rood­staart. Het is de eer­ste onbe­ken­de bezoe­ker die de huis­mu­ze en ik deter­mi­ne­ren. We zijn op vakan­tie in de Arden­nen. Zul­len later die week nog vol­gen: een goud­vink, een goud­haan­tje, een wit­te kwik­staart, een groep­je koper­wie­ken en een hand­vol ver­moe­de­lij­ke bui­zerds. Bij deze eer­ste ana­ly­se con­sta­te­ren we voor de zoveel­ste keer hoe belab­berd het gesteld is met de femi­nis­ti­sche ten­dens in vogel­land. Want dat het altijd het fuc­king man­ne­tje is dat met de mooist gekleur­de veren mag pron­ken. Het vrouw­tje van de zwar­te rood­staart is – op haar rode staart na, duh – onop­val­lend grijs­bruin. Zoals zove­len van haar gevleu­gel­de sek­se­ge­no­ten moet zij het qua kleu­ren­pracht afleg­gen tegen­over de man­ne­tjes. Als de natuur al niet gen­der­neu­traal kan zijn, hoe moe­ten wij dat dan ooit wor­den? Onze vakan­tie is nog maar een half uur bezig, en ik heb al zin om die paar dagen zon­der siga­ret in de wil­gen te han­gen. Ik weet het, het voelt wat klein­ze­rig om te gaan jam­me­ren over het veren­kleed van een vogel, maar voor een roker – net gestopt of niet – wor­den aan­lei­din­gen al gauw bui­ten­pro­por­ti­o­neel. Voor de zoveel­ste keer vecht ik vloe­kend tegen de ver­lei­ding, en word ik neer­slach­tig van de klei­ne wer­ke­lijk­heid die ik vast­stel: dit wordt een week van ein­de­loos mean­de­rend gemij­mer. Gemij­mer over rook, over afscheid, over rook, over mezelf, en over rook.

Elke siga­ret die ik ooit rook­te trok mijn blik naar een zij­pad. Elke siga­ret was een manier om opzij te kun­nen kij­ken. Niet recht­door naar de hori­zon, niet voor me uit door de voor­ruit, niet in de spie­gel. Met elke siga­ret gun­de ik het mezelf mezelf te ver­ge­ten. Niet te den­ken aan waar ik heen wil­de, niet te zien wat er voor me lag, niet te kij­ken naar de man die ik was, ben, wil­de wor­den. Schijn­be­we­gin­gen. Inha­leer­ma­noeu­vres.

Ik her­lees de vori­ge ali­nea en vraag me af of het ver­stan­dig is dat ik hem in de ver­le­den tijd schrijf. Pra­ten over roken in de ver­le­den tijd maakt stop­pen onom­keer­baar. En alhoe­wel ik weet dat ik dit echt wil, en voel dat ik dit echt doe, en onom­keer­baar­heid – behal­ve een gro­tesk woord – dat­ge­ne is waar ik naar streef, toch zoekt mijn lijf naar zij­pa­den. Mijn vin­gers op het kla­vier twij­fe­len over de werk­woor­de­lij­ke tijd. Als ik dit schrijf, en als ik dit geschre­ven zal heb­ben, wat dan? Zal ik dan weer een reden min­der heb­ben om te her­val­len in schijn­be­we­gin­gen? Wil ik dat? Kan ik dat? Rede­nen drin­gen zich op. De stam­kroeg in mijn door­rook­te hoofd heet De Vol­len Asbak, ieder­een is er enigs­zins beschon­ken, en nie­mand spreekt de waar­heid. Ik doe iets wat nooit eer­der iemand deed in mijn stam­kroeg. Ik sta bij de ves­ti­ai­re en vraag om mijn jas. Ik zie de veel­be­lo­ven­de hel­de­re bui­ten­lucht al, maar de geur van smeu­len­de peu­ken en het afkeu­ren­de gemom­pel in mijn rug maakt het aan­kle­den slow moti­on.

Hier, in het Frans spre­ken­de deel van mijn land, is alles ver weg. Er lig­gen twee Neder­lands­ta­li­ge weken zon­der siga­ret ach­ter me, twee weken van zelf­be­heer­sing. De moed die die weken me gaven, is aan de oevers van de Maas in mijn schoe­nen gezakt. Ont­heemd van huis en haard schreeuwt elk zij­pad om een schijn­be­we­ging. De roman­tiek van een ter­ras met uit­zicht smeekt om een zweem­pje blau­we rook. De dron­ke­lap­pen in mijn stam­kroeg wil­len rook zien. Hoe kan ik deze dagen van zelf­ge­ko­zen ont­span­ning voor­bij laten gaan zon­der roman­tisch rook­gor­dijn? Waar­om ont­zeg ik mezelf dit zal­ven­de zij­pad?

De vakan­tie begon met de wet van Murp­hy. Of toch de wet die zegt dat als de bat­te­rij van je auto op een­der welk wil­le­keu­rig moment de geest kan geven, ze dat zal doen op het moment dat je alles hebt inge­pakt, alle deu­ren, ramen en scha­ke­laars hebt gecheckt, alle for­nui­zen hebt dicht­ge­draaid, de voor­deur net­jes in het slot hebt laten val­len nadat je je ervan ver­ge­wist hebt dat je je sleu­tels, je por­te­feuil­le en je tele­foon op zak hebt, op het moment dat je opge­lucht zuch­tend je gor­del vast­klikt en met een bre­de glim­lach zegt: ’Zo. En nu op vakan­tie’. Op dat moment geeft je bat­te­rij de geest. Het opge­ruim­de gevoel dat over me hing nadat ik mezelf – zon­der al te vaak aan een siga­ret te moe­ten den­ken – een hele dag had onder­ge­dom­peld in het gedoe van vakan­tie­voor­be­rei­ding, was in één klap ver­dwe­nen. Ik stak de auto­sleu­tel in het con­tact en in plaats van het bevre­di­gen­de gebrom van de start­mo­tor hoor­de ik een hees roche­lend kozak­ken­koor in mijn ach­ter­hoofd mij meer­stem­mig aan­spo­ren om nu dan toch ein­de­lijk die lang­ver­wach­te en wel­ver­dien­de rook­pau­ze te nemen. Dat deed ik niet, met als gevolg dat de pech­dienst­me­neer – die ons een half uur later van een nieu­we bat­te­rij kwam voor­zien – met bezorg­de blik tot drie keer toe vroeg of ik geen vali­um­pje nodig had. Wat hele­maal niet waar is, maar het had zomaar gekund. Die pech­dienst­me­neer was extreem vrien­de­lijk en behulp­zaam.

In de nacht voor de Neder­land­se gemeen­te­raads­ver­kie­zin­gen droom ik dat ik de body­guard ben van Gert-Jan Segers van de Chris­ten­Unie. Ik sta in voor de inte­gri­teit van zijn lijf en leden en als tij­dens een wan­de­ling plot­se­ling Xan­der van der Wulp met een micro­foon uit het stru­weel opduikt, schop ik die laat­ste met een wel­ge­mik­te karate-trap weer terug naar waar hij van­daan kwam. In wer­ke­lijk­heid blijkt de huis­mu­ze – vre­dig naast mij ron­kend in het holst van de nacht – de ont­van­ger te zijn van die karate-trap. In com­ple­te ver­war­ring lig­gen we ons in bed af te vra­gen wat er in gods­naam gebeurd is. In ande­re tij­den zou ik deze nach­te­lij­ke ondui­de­lijk­heid arge­loos weg­ge­rookt heb­ben. Weer een mooie reden die niet in rook opgaat.

In het bos staan namen en jaar­tal­len in bomen gekerfd. De oud­ste kerf die we nog kun­nen ont­cij­fe­ren dateert uit 1922, een jaar­tal in een let­ter­ty­pe dat de boom door zijn steeds dik­ker wor­den­de bast van een sub­tie­le light con­den­sed in een uit­ge­rok­ken bold hea­vy heeft ver­an­derd. De namen die bij het jaar­tal horen zijn onlees­baar gewor­den. Ik maak een foto van de boom en zwier hem op inst­agram. Ik stel me voor hoe de boom­ker­ver uit 1922 dat bui­ten­aard­se sci­en­ce­fic­ti­on zou heb­ben gevon­den. Maar ook dat hij of zij in die al dan niet roa­ring twen­ties naar lie­ve lust siga­ret­ten kon opste­ken zon­der dat iemand het over zijn of haar gezond­heid zou heb­ben. Hoe die siga­ret uit 1922 mis­schien wel op dok­ters­voor­schrift werd opge­sto­ken, als pro­baat mid­del­tje tegen de stress. Prompt word ik jaloers op een jaar­tal waar ik nooit onder­deel van ben geweest.

We wan­de­len elke dag. Het dage­lijk­se rit­me dat ont­staat geeft me rust en hou­vast. De rust voelt wel­is­waar als de ver­weer­de reling van een ver­sle­ten hang­brug, maar ik moet wat. De rou­ti­ne van rook en vuur­tje sij­pelt lang­zaam weg uit mijn leven, en ik snak naar ande­re vor­men van sleur. Opstaan, ont­bij­ten, lezen, de wan­del­kaart bestu­de­ren, thuis­ko­men, uit­rus­ten, al dan niet uit eten, dag na dag, en weer opnieuw. Ik bijt me als een treu­ren­de bloed­hond vast in rit­mes die niet voe­len als de mij­ne. Ik laat niet los. Alles wat ik los­laat kan zomaar kapot val­len. Alles wat ik vast­houd kan zomaar uit elkaar spat­ten. De kop kof­fie in mijn hand, de vre­de bij het door ramen sta­ren, de vro­lij­ke gesprek­ken met de huis­mu­ze. Alles hou ik vast met de voor­zich­tig­heid van een gewon­de vlin­der. De afwe­zig­heid van rook heeft mijn leven een fra­gi­li­teit geschon­ken die mis­schien nog het best te ver­ge­lij­ken valt met de laat­ste keer dat ik door een gelief­de op mijn hart getrapt werd. Dat is geluk­kig alweer lang gele­den, maar ik her­ken het gevoel. De breek­baar­heid. Het gemis. Het ver­lan­gen naar iets dat die­per graaft. Iets dat lijkt op vriend­schap, of een goed gesprek.

Tij­dens een van de wan­de­lin­gen tref­fen we een dode gans. Dat wil zeg­gen: in het mid­den van het pad ligt een uit­een­ge­re­ten kar­kas waar­van we ver­moe­den dat het ooit een gans is geweest. Nu is het enkel nog een ver­za­me­ling veren en inge­wan­den met een bloe­de­rig uit­steek­sel waar wel­licht ooit een gan­zen­kop zat. Heel even lijkt het dode beest op de cold tur­key waar­mee dit ver­haal begon, maar dat zou meta­fo­risch te ver lei­den. Nieuws­gie­rig wan­del ik rond het onding. Vor­send kijk ik naar de dier­lij­ke res­ten. Ik neem mijn kin in de hand en mom­pel iets onver­staan­baars dat lijkt op wat Woody Har­rel­son in True Detec­ti­ve had kun­nen zeg­gen. Ik beeld me in hoe ik een pin­cet uit de bin­nen­zak van mijn ima­gi­nai­re recher­cheurs­jas haal om een rest­je bewijs­ma­te­ri­aal in een plas­tic zak­je te from­me­len. Ach­te­loos tast ik naar het al even denk­beel­di­ge pak­je siga­ret­ten en de cine­ma­to­gra­fisch ver­ant­woor­de Zip­po om de mys­te­ri­eu­ze cri­me sce­ne het nodi­ge door­rook­te cachet te geven, wan­neer de huis­mu­ze mij weer tot de orde der wer­ke­lijk­heid roept. Dat ze het goor vindt, en dat ze zich straks wat anders wil her­in­ne­ren dan een uit elkaar gere­ten vogel. Ze heeft gelijk. Maar ik zag het niet. Ik zag geen dode gans en geen onsma­ke­lijk tafe­reel. Ik zag een moord, een Netflix-generiek, en een reden om te roken.

Je hoort wel eens zeg­gen dat stop­pen met roken heel moei­lijk is, maar dat het des­on­danks elke dag mak­ke­lij­ker wordt. Dat het ver­lan­gen tel­kens een klein beet­je slinkt, en dat je elke dag een beet­je meer kunt teren op de trots die je voelt na alweer een och­tend met alleen maar kof­fie. En dat klopt ook wel. Die trots is er, en mijn zelf­ver­trou­wen groeit, en jawel, dat helpt me ver­der. Maar naar­ma­te de tijd ver­strijkt, en de peri­o­des zon­der gedach­tes over roken lan­ger wor­den, wordt ook de ande­re kant van de weeg­schaal zwaar­der. De momen­ten dat ik zin krijg in een siga­ret zijn onver­wacht­ser en wegen zwaar­der dan vroe­ger. Als­of je na enke­le weken lief­des­ver­driet bij­na bent ver­ge­ten dat je gelief­de je heeft laten zit­ten, en je lang­zaam­aan de draad der zelf­be­schik­king weer opneemt, en je dan op een onbe­waakt moment van ont­span­ning gecon­fron­teerd wordt met I wan­na know what love is van Foreig­ner. Ik noem maar wat. Moker­sla­gen van momen­ten. Iemand zegt iets, of je hoort of voelt of ziet iets, en opeens komen de muren op je af. Als roker zou je ach­te­loos aan­ge­sto­ken en geïn­ha­leerd heb­ben, als niet-roker denk je ’Fuck. Dus ook dit is een reden om te roken.’ En je vraagt je af hoe­veel fuc­king rede­nen er nog zul­len komen. Hoe diep zit zo’n ver­sla­ving eigen­lijk, en hoe diep moet je de spa­de in de grond ste­ken om de laat­ste res­ten teer en nico­ti­ne boven te krij­gen?

In de dagen die vol­gen die­nen de fuc­king rede­nen zich aan. Als meter­op­ne­mers en wafel­ver­ko­pers komen ze aan de deur­bel van mijn wils­kracht han­gen. Een kran­te­ar­ti­kel over het falen­de drugs­be­leid in ons land, smaak­lo­ze bana­nen, de regen die het dal in komt glij­den, de dis­cus­sie met de huis­mu­ze of er een zwar­te mees dan wel een kool­mees op de bal­kon­rand zit, het elek­tri­sche kachel­tje dat het opeens niet meer doet, het elek­tri­sche kachel­tje dat het opeens wel weer doet maar de lucht wordt er veel te droog van, de men­sen die in de cha­let naast de onze komen zit­ten in een ver­der com­pleet ver­la­ten vakan­tie­park, de con­sta­te­ring dat ik veel te vaak ver­keerd adem­haal, de kut­op­mer­king van de leraar neder­lands toen ik zes­tien was en waar ik nu – bij­na der­tig jaar te laat – ein­de­lijk een spits­von­di­ge repliek op bedenk, het frus­tre­ren­de twit­ter­ge­sprek met de help­desk van mijn tele­foon­ope­ra­tor waar­in we een oplos­sing zoe­ken voor het feit dat ik hier in the midd­le of now­he­re geen tele­vi­sie kan kij­ken op de ipad, de stomp­zin­nig­heid van het feit dat ik hier in the midd­le of now­he­re tele­vi­sie wil kij­ken op de ipad, de scha­bou­we­lij­ke eind­re­dac­tie van de infor­ma­tie­fol­der van het vakan­tie­park, super­markt­brood, de aan­ge­leng­de wijn in het cam­pingres­tau­rant, een tweet van Theo Fran­c­ken, de muur, de vloer, de deur, het raam, de och­tend, de mid­dag, de avond, de nacht, de zon, de regen, zoveel rede­nen voor een siga­ret. Zoveel rede­nen om mijn ver­sla­ving een rij­tje nach­te­lij­ke sms’en te stu­ren. Kom asje­blief terug, je had gelijk, laat me niet alleen, het is mijn fout, ik zou ook bij me weg­ge­gaan zijn, maar ik zal ver­an­de­ren, je had gelijk, ik kan niet zon­der je, ik ga kapot, asje­blief, kom terug, voor ik sterf, voor ik ver­ga, kom terug, ik mis je, ik mis je, I wan­na know what love is, hou me vast, gun me asje­blieft nog één keer een trek­je van je lief­de.

De voor­laat­ste dag van onze vakan­tie is guur en bewolkt. De zon laat zich niet zien, en we heb­ben geen zin in een wan­de­ling bij kans op regen. We beslui­ten naar Dinant te trek­ken. In zul­ke toe­ris­ten­oor­den stikt het door­gaans van de bras­se­rie­ën waar je uren kunt ver­po­zen ach­ter gla­zen huis­wijn en sala­des met veel te veel dres­sing en artis­tiek gesne­den stuk­ken ana­nas. Uit­ge­le­zen loca­ties om door gro­te ramen de wereld en haar bewo­ners te aan­schou­wen en lang­ge­rek­te gesprek­ken te voe­ren over koe­tjes, leven, dood, en kalf­jes. En als we het debat­te­ren beu zijn, gaan we naar het Mai­son Adolp­he Sax. Daar mag je gra­tis bin­nen dus het ver­moe­den van toe­ris­ti­sche oplich­ting kan geen reden zijn voor een siga­ret. Wat wel een fuc­king reden blijkt, is Dinant zelf. Zoals zove­le ste­den in de Arden­nen hangt er over Dinant een slui­er van troos­te­loos­heid en ver­ga­ne glo­rie, en gebou­wen die ooit tot ver in de omge­ving tot de ver­beel­ding spra­ken zijn grijs geschil­derd door uit­laat­gas­sen en dui­ven­stront. Het melan­cho­li­sche dilem­ma van toe­ris­ten­oor­den: ieder­een wil er op vakan­tie, nie­mand wil er wonen. Moest je – in tegen­stel­ling tot onder­ge­te­ken­de – het roken als life­sty­le nog wil­len aan­vat­ten: Dinant in de regen is een uit­mun­tend start­punt. Ga aan de oevers van de Maas op een bank­je onder een kapot­te para­plu zit­ten en kijk naar de lege ter­ras­sen met afge­rag­de lui­fels. Gooi de krui­mels van de sma­ke­lo­ze Club Sax die je eer­der kocht in Snack­bar Le Bari­ton op de grond en zie hoe een­o­gi­ge dui­ven met man­ke­po­ten ze van tus­sen het grind komen pik­ken, waar­bij het ze niet uit­maakt of ze krui­mels dan wel kie­zels naar bin­nen wer­ken. Ik zweer het je: een siga­ret maakt zo’n tafe­reel hele­maal af.

Het Mai­son Adolp­he Sax blijkt een onop­val­len­de twee­ka­mer­wo­ning zon­der ver­war­ming op het gelijk­vloers van een pand in een al even onop­val­len­de win­kel­straat. Je kunt er inder­daad gra­tis naar bin­nen. De vloer met saxo­foon­mo­tief is nat en stof­fig en de pan­car­tes met uit­leg aan de muur zijn bedui­meld door hon­der­den onge­vraag­de aan­ra­kin­gen. Zuch­tend en rolo­gend duw ik op een knop­je dat de Bole­ro van Ravel door een goed­koop spea­ker­tje duwt. De huis­mu­ze – wat moet ik zon­der haar – neemt me bij de arm en houdt een plei­dooi voor laag­drem­pe­li­ge en een­vou­di­ge musea. Tien­tal­len toe­ris­ten heb­ben hier een onver­moe­de fas­ci­na­tie voor muziek of geschie­de­nis opge­daan, betoogt ze. Ik werp op dat meneer Sax dan wel in Dinant gebo­ren is, maar dat hij zijn car­ri­è­re toch voor­al in Parijs heeft opge­bouwd. Maar mijn lief laat niet los. Niet zeu­ren, nou, en ze drukt op een ander knop­je. Ik her­ken Char­lie Par­ker. Poe­pe­die pwaa pwaa fjieuw fjieuw para­pa­da pie­doe para­pa pwaa pfjieuw. Waar is mijn aan­ste­ker? Waar is de geur van tabak? Er is geen muziek­gen­re dat ik meer met rook­gor­dij­nen asso­ci­eer dan jazz. In de stam­kroeg in mijn ach­ter­hoofd zijn Can­non­ball Adder­ley en John Col­tra­ne aan hun meu­be­len gena­geld. De klan­ken uit het goed­ko­pe spea­ker­tje doen mijn lon­gen ver­lan­gen naar een quick fix. De stress van het afkic­ken jaagt een tril­ling door mijn lijf, en zon­der er erg in te heb­ben zet ik de bib­ber in mijn benen om in een dans­je. In het Arden­se epi­cen­trum van de mis­troos­tig­heid sta ik te swin­gen met mijn lief. Zon­der siga­ret. In slap gie­che­len­de ver­stren­ge­ling strom­pe­len we weer de straat op. Het regent nog steeds, ik ben nog steeds geen roker, en ik ben vro­lijk. Er stroomt iets door mijn bloed en het is geen nico­ti­ne. Het is iets anders. Iets van mezelf.

Schrij­ven. Ook schrij­ven is een fuc­king reden. Elke ali­nea van deze klaag­zang was een strijd tegen het ver­lan­gen. De focus die ik voor­heen zocht in siga­ret­ten en die me bij het schrij­ven zo vaak heeft gehol­pen, is nu ver weg. Ik heb er dagen over gedaan. Ik schreef de lon­gen uit mijn lijf. Elke dag een paar regels tik­ken, en dan weer heen en weer stui­te­rend op zoek naar iets anders. Iets dat me deed ver­ge­ten. Iets dat me ver­hin­der­de weg te zak­ken in zelf­me­de­lij­den en twij­fel. En kwaad­heid. En twij­fel over kwaad­heid. Moet ik kwaad zijn? En zo ja, op wie? Op mezelf, omdat ik de insti­ga­tor ben? Op mijn lief, omdat ze mijn lief en dus ook bij momen­ten mijn boks­bal is? Op aan­ste­kers, die her en der in huis lig­gen te ziel­to­gen zon­der reden? Op de tabaks­in­du­strie, die aller­lei god­ge­klaag­de meuk in mijn rook­waar smok­kel­de om me zo ver­slaafd moge­lijk te maken? Op mijn mede­plich­ti­ge vrien­den, die erbij waren en niet ingre­pen toen ik in vol­le ver­stand mijn aller­eer­ste siga­ret opstak? Waar moet ik heen met dit gevoel? Gaat de weg voor­uit of rol ik bin­nen­kort weer als Sisyphos naar bene­den? Komt de hori­zon in zicht en zijn mijn zij­pa­den nog zicht­baar? Of blijft alles troe­bel en wan­kel? Is wie­be­len het nieu­we roken?

Ik zal nooit iemand aan­ra­den om te gaan roken. Niet omdat het niet ple­zant zou zijn – want dat is het wel dege­lijk – maar omdat het zo ver­schrik­ke­lijk moei­lijk is om er weer mee op te hou­den. Stop­pen met roken is echt kut. Bij het schrij­ven van dit slot­woord ben ik bij­na twin­tig dagen nuch­ter, en er gaat geen uur voor­bij dat ik niet aan roken denk. Elk uur komt er wel een fuc­king reden voor­bij. Maar ook al klinkt dat heel ver­ve­lend, tien dagen gele­den kwam die reden elk kwar­tier voor­bij. Het wordt dus iets min­der ver­moei­end. Het spel dat ik speel met mezelf wordt min­der inge­wik­keld. Twin­tig dagen gele­den moest ik elke dag scha­ken met mijn ver­lan­gen (ik kan niet scha­ken), van­daag staat er dam­men op het menu. Ik ga ervan­uit dat ik bin­nen­kort Mens erger je niet speel met mijn ver­sla­ving, daar­na Vlooi­en­spel, om te ein­di­gen met de New­ton­pen­del.

Wat ik wil zeg­gen is dit. De gro­te moei­lijk­heid van stop­pen met roken is dat je nooit zeker weet of het zal luk­ken. Ver­lei­ding ligt over­al op de loer, en de meest gestel­de vraag aan de ves­ti­ai­re van café De Vol­len Asbak is of het kwaad kan om er nog een­tje op te ste­ken. Allez dan, voor­uit, hier, dit is echt de aller-allerlaatste. Tot nu toe is het me aar­dig gelukt om die vraag te nege­ren, maar het vraag­te­ken blijft tus­sen mijn oren plak­ken. Ver­va­ging is de eni­ge troost. Lang­zaam ver­bleekt de behoef­te. Lang­zaam ver­bleekt een deel van mezelf dat ik zowel bemin­de als ver­acht­te. Lang­zaam zakt de inten­se vriend­schap met de groot­ste drog­re­de­ne­ring uit mijn leven die­per in de wee­moe­di­ge kroch­ten van mijn her­in­ne­ring. Voor­zich­tig durf ik het afscheid te noe­men. Met tril­len­de vin­gers zeg ik vaar­wel.

Flik­ker op, trut, ik hou van je, kom asje­blief nooit meer terug.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *