The history of kissing, part five: De rubberen hamer

Het was een fris­se len­te­avond en ze had me uit­ge­no­digd voor een maal­tijd en een bab­bel. Die uit­no­di­ging was geen uit­zon­de­ring, want in de maan­den voor­af­gaan­de­lijk aan deze avond had­den we elkaar regel­ma­tig op avond­jes uit getrak­teerd, het ene al roman­ti­scher dan het ande­re. Dat ik des­on­danks geen kans maak­te op het intie­me samen­zijn waar ik naar ver­lang­de, negeer­de ik voor de hon­derd­ste keer. Lief­de maakt blind, en een ver­lief­de ezel stoot zich tal­lo­ze malen enthou­si­ast aan dezelf­de steen.

The Last Kiss of Romeo and Juliet van Francesco Paolo Hayez

The Last Kiss of Romeo and Juliet van Fran­ce­s­co Pao­lo Hay­ez

Het was een ver­bo­den lief­de. Althans, zo noemt men dat in vak­li­te­ra­tuur. Of het ook wer­ke­lijk ver­bo­den was, bleef een vraag­stuk. Zelfs of het lief­de was, bleef al die tijd enigs­zins ondui­de­lijk. In elk geval waren we met zijn twee ver­wik­keld in een vreemd­soor­ti­ge pla­to­ni­sche affai­re, waar­bin­nen zij zich beperkt ont­van­ke­lijk toon­de, en ik mijn roman­ti­sche talen­ten en tech­nie­ken kon oefe­nen. Een speel­tuin zon­der ijs­kreem­kar, zoiets. Want elke keer weer werd het bran­den­de vuur waar­mee ik een afspraak­je begon aan het eind van de avond gedoofd met een sis­ser van ver­schil­len­de for­ma­ten. Ik was ver­liefd tot in het merg van mijn bot­ten en ik liep al maan­den ach­ter een wor­tel aan een touw­tje. Maar ik zet­te dap­per door, want de lief­de stond op het spel.

De lief­de was ver­bo­den omdat zij niet beschik­baar was, zoals dat heet. Waar ik mij vol ener­gie liet aan­drij­ven door de gren­ze­lo­ze vrij­heid van het vrij­ge­zel­len­be­staan, zet­te zij meer dan eens haar voet op de rem om niet in het duis­te­re straat­je der vreemd­gaan­de­rij te belan­den. Alhoe­wel. Ik noem dat straat­je nu mis­schien duis­ter, en het zij haar in retro­spect ver­ge­ven dat ze voet bij stuk hield. Maar lie­ve deugd, wat zou ik er des­tijds veel voor over gehad heb­ben om zon­der omkij­ken en haar de kle­ren van het lijf scheu­rend dat straat­je in te dui­ken, duis­ter of niet. Niets heeft zoveel ver­ma­le­dij­de aan­trek­kings­kracht als de nabij­heid, de geur en de aan­blik van een ver­bo­den vrucht.

Ik was mezelf na al die tijd behoor­lijk ver­lo­ren in het ondoor­dring­ba­re moe­ras van mijn vruch­te­lo­ze smach­ten, en met een troe­be­le geest en een dron­ken hart zei ik uiter­aard ja op haar uit­no­di­ging. Ik pro­beer­de me te gedra­gen als een gedis­tin­geer­de jon­ge­man met sub­tie­le avan­ces en char­man­te opmer­kin­gen op zak, maar de wer­ke­lijk­heid lag waar­schijn­lijk dich­ter bij het beeld van een kwij­len­de hond op een hete zomer­dag. Mijn lijf en geest waren moe van het hun­ke­ren, maar mijn libi­do stui­ter­de als een bil­jart­bal.

Na koe­tjes en kalf­jes, ape­ri­tief en nage­recht, kof­fie, por­to, en ein­de­loos gekeu­vel waar­bij ik het niet naliet om her­haal­de­lijk de diep­te van haar pupil­len te pei­len, viel het zin­ne­tje ’Ik moet je nog iets ver­tel­len’ op tafel. De tafel kraak­te en de poten piep­ten onder het onver­wach­te gewicht. Ieder­een die ooit lang­du­rig met de lief­de in aan­ra­king is geko­men, weet dat het zin­ne­tje ’Ik moet je nog iets ver­tel­len’ zel­den de aan­kon­di­ging is van pret­tig nieuws. En ook deze keer bleek ik niet de lot­to gewon­nen te heb­ben. Inte­gen­deel. Voor het eerst in mijn leven beken­de een meis­je mij met een krop in de keel zwan­ger te zijn.

Dat ik niks te maken had met het tot stand komen van die zwan­ger­schap, drong geluk­kig snel genoeg tot me door. Mijn geest mocht dan zwaar ver­troe­beld zijn, de wer­ke­lijk­heid waar­in ik nog steeds niet met haar de bed­stee had mogen delen, hing als een over­dui­de­lij­ke neon-reclame voor mijn gees­tes­oog. Deze zwan­ger­schap bete­ken­de niet dat ik mij over een aan­tal maan­den voor het eerst vader zou mogen noe­men, deze zwan­ger­schap was het equi­va­lent van een wel­ge­mik­te rub­be­ren hamer tegen mijn kanis met de bege­lei­den­de tekst­bal­lon ’Nog in geen hon­derd jaar, pum­mel’.

Dat er uit­ein­de­lijk toch nog gekust werd, heb ik voor een deel aan Emi­nem te dan­ken. Het was zijn num­mer dat op dat moment in het eta­blis­se­ment in kwes­tie gedraaid werd. ’You only get one shot, do not miss your chan­ce to blow’, rap­te meneer Sha­dy, en ’This oppor­tu­ni­ty comes once in a life­ti­me yo’. En ook al is het mis­schien anders gegaan, en heeft mijn troe­be­le her­in­ne­ring het tafe­reel van een hero­ï­sche tint voor­zien, die oppor­tu­ni­ty en dat die maar once in a life­ti­me yo voor­bij­komt, maak­te iets in mij wak­ker. Zon­der na te den­ken, boog ik me voor­over en plant­te ik robuust mijn lip­pen op de hare. Mijn drijf­veer was abrupt en hard­han­dig, maar haar aan­ra­king was zacht als wolk­jes melk. En hoe kort­ston­dig ons kus­sen ook was, ik voel­de het hun­ke­ren en het smach­ten en alles wat ik al die tijd had opge­kropt uit al mijn porie­ën knal­len. En omdat zij – enke­le eeu­wig­du­ren­de secon­des – mijn opdrin­ge­ri­ge kus beant­woord­de, voel­de ik me heel even de koning en zijn com­ple­te hof­hou­ding te rijk. Ik dien­de haar rub­be­ren hamer van repliek met een kus uit de stal van Clark Gable, en ik zet­te het op een lopen.

[kis­sing]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *